En dan, POOF, ben ik in het licht. Het is goud, het is prachtig, de pijn van de drie jaar van mijn leven is weg, de lach, de liefde, elke emotie die ik in mijn leven had gehad, was weg.
Ik was één met alles wat ooit bestaan heeft of ooit zal bestaan. Op dat moment wist ik het waarom van alle waaroms. Ik had geen vragen, ik had geen antwoorden nodig. Alles was bekend op dat moment dat ik het licht binnenging.
Toen sprak het tot mij, alsof ik tot mezelf sprak via de stemmen van alles wat kan, doet of zal bestaan. Het zei gewoon: ‘Je moet teruggaan,’ en het was ik die tegen mezelf zei dat ik terug moest gaan; maar toch – ik ben alles, dus wie sprak tegen wie??? Ha-ha. Dus, ik stelde geen vragen, ik wist al waarom ik moest, waarom het leven bestond, waarom alles gebeurt.
Nadat het me vertelde dat ik terug moest komen, was dat het.
Ik werd wakker in mijn bed, mijn moeder lag naast me, vijf dagen waren voorbij gegaan, de kanker die me levend opat en waarvan de dokters hadden gezegd dat ze die niet konden genezen, was volledig genezen. Ze testten me, ontdekten dat ik geen kanker meer had en stuurden me naar huis.
