Ik zag honderden lachende gezichten, die geen man, vrouw of kind waren. Ze hadden geen gezichtshaar, wenkbrauwen, wimpers en deden hun mond niet open.
Ze spraken tegen me, als in telepathie. Ze droegen vrij stromende, veelkleurige, iriserende gewaden en elk van hen zweefde heen en weer in de ruimte om me heen. Ieder van hen was verzwolgen in een fosforescerende blauwgroene, glinsterende aura. Ik zag geen vleugels zoals op afbeeldingen van engelen.
