Dit geweldige wezen noemde me bij een naam die ik me niet herinner. Ik vertelde hem dat hij de verkeerde man moest hebben en dat de naam die hij voor mij gebruikte niet mijn naam was. Hij lachte en zei dat ik een grote ‘meester’ was en dat ik gewoon vergeten was wie ik was.
Ik geloofde hem niet, omdat ik toen nog niet echt zeker wist wat een ‘meester’ was en als ik deze grote meester was geweest, zou ik niet alle problemen hebben gehad die ik had.
Ik had het gevoel dat ik een kwaadaardig wezen was, want dat is me in mijn leven meerdere keren door velen verteld.
