Aan het einde van de tunnel kreeg ik te horen dat ik dood was. Het was gewoon een stem, geen familielid of wezen.
Het was gewoon een stem, geen familielid of wezen. Ik vond deze informatie prima. Toen was er een drempel – als een deuropening, maar geen deuropening.
… In mijn geest kende ik meteen de zin van het leven en het grote plan, en ik was dolblij. Het plan was zo perfect – iets wat geen menselijk verstand kon bedenken. Alles klopte. Mijn plaats daarin was logisch.
… Ik was veel helderder op de terugweg. Ik zei zelfs tegen mezelf dat ik het geheim van het leven moest onthouden, dat mensen de waarheid moesten weten.
Toen ik mijn ogen opende, was het weg. Ik lag daar en probeerde het me te herinneren. Mijn geest kon zich elke scène herinneren van wat er was gebeurd, maar niet dat ene belangrijke ding. Het voelde alsof
Ik mocht die kennis hier niet hebben, alsof we, als we het wisten, niet zouden leren wat we moesten leren. Het leven is een school, meer niet.
