Ik herinner me dat ik een dronken en verfomfaaide man op een stoep zag zitten. Toen ik dichterbij kwam, zag ik zijn ware wezen. Hij was onvoorwaardelijke liefde. Ik voelde geen oordeel. Hij was net zo waardig als ieder ander en er werd net zoveel van hem gehouden als van ieder ander.
Ik begreep dat ik verder keek dan de schijn. Ik begreep ook dat dit onze natuurlijke staat is. Dit is hoe we bedoeld zijn om te leven.
Het maakte niet uit wat ik deed of had. Er was vreugde in elke handeling, elk karwei, elke gelegenheid. Liefde en vreugde doordrongen alles.
De energie van het universum is liefde en die stroomt door ons allemaal heen. We zijn allemaal een deel van deze liefde en we zijn allemaal één met God.
