Alle kleine dingen die we elke dag doen maken het verschil. Kleine daden van vriendelijkheid betekenen zoveel voor God.
Ook moest ik alle kwetsende dingen zien en voelen die ik had gedaan (zelfs de kwetsende dingen waarvan ik niet wist dat ik ze had gedaan). Ik moest de pijn voelen van de mensen die ik gekwetst had. Maar – je weet hoe ons geleerd wordt dat we op een dag voor God zullen staan en beoordeeld zullen worden – God oordeelde niet over mij. Ik keek naar mijn daden, met God aan mijn zijde die van me hield terwijl ik mezelf beoordeelde – en geloof me, niemand kan harder over me oordelen dan ik al over mezelf doe.
Het was alsof ik door mijn ouders “betrapt” werd als ik iets verkeerds deed, maar dan erger. Tijdens de pijnlijke beoordeling schaamde ik me zo erg en ik kon me niet verbergen. Mijn onmiddellijke gedachte, en ik zei het hardop, was: “Ik ben klaar – ik hoor in de hel – ik verdien het niet om naar de hemel te gaan!” Maar het voelde alsof Hij mijn arm vastpakte toen ik op weg was naar de hel en zei
“Wacht even jongedame kom terug! Je begrijpt het niet en ik ga het je uitleggen.” Hij vroeg me “Welke andere keuzes had je kunnen maken? Wat leer je hiervan?” Niet tegen me schreeuwen en zeggen “Hoe kon je dat doen!?” of “Je gaat naar de hel!”.
Dit was duidelijk niet de straffende God waarin ik had leren geloven. Het moeilijkste was om te beseffen dat Hij me al had vergeven – ik had het heel moeilijk om mezelf te vergeven. Hij liet me zien hoe ik Zijn liefde niet kon toelaten zonder eerst mezelf te vergeven. Mezelf straffen maakte me niet beter in Zijn ogen, Zijn liefde accepteren was wat Hij van me wilde.
Toen ik eenmaal kon accepteren dat God alleen maar liefhad, was het gemakkelijker voor mij om open en eerlijk naar mijn leven te kijken. Ik wilde zoveel mogelijk leren als ik kon – ik had zoveel vragen. God houdt van mij zoals ik van mijn kinderen hou. Zelfs als ze iets verkeerd doen, houd ik nog van ze. Ik ben niet blij met hun daden, maar dat verandert niets aan mijn liefde voor hen. Ik heb pijn om hen en – ik laat hen verantwoordelijkheid nemen voor hun daden. Aan Gods liefde zijn geen voorwaarden verbonden.
