Omdat ik op mijn eenentwintigste, enkele jaren daarvoor, een abortus had ondergaan (en dat is trouwens de ervaring die mijn leven echt door elkaar heeft geschud en me op een andere koers heeft gezet), uitte ik mijn nooit aflatende schuldgevoel omdat ik het leven van mijn ongeboren wezen had weggenomen.
Onmiddellijk richtte ik me op wat een ster leek, een helder licht, en ik wist dat dat de ziel van dat wezen was. Het was niet relevant of het een man of vrouw was.
Ik bracht mijn gevoel van verdriet en schuld naar voren en werd op mijn beurt overspoeld door een gevoel van volledige vergeving – anders dan alle aardse vergeving. Het werd me op de een of andere manier heel, heel duidelijk gemaakt dat het helemaal niet zo slecht was wat ik had gedaan en dat er voor alles een reden is. Ik vroeg opnieuw om vergeving en nodigde dat wezen zelfs weer uit. Het enige bijna aardse geluid dat ik hoorde was van die geest – een geluid van een heel blij gegiechel.
Dat geluid staat me nu nog net zo helder bij als twee seconden geleden. Toen was het tijd voor mij om te gaan. Ik voelde dat ik omringd werd door, laten we zeggen, mijn beschermengelen. Ik voelde dat ik verder wegging van de geest van mijn ongeborene.

